|
Wolkennevels Drijvende scheppingsfantasie in onmetelijke ruimte die ik zelf ben
In tijdloze beddingen dans ik de goddelijke dans van water in water.
Hemel sterft in aarde als zachte regen moederlijke vormen streelt en herrijst in voorjaarskleed van vruchtbaarheid.
Wind wiegt kinderen van leven, jong van kracht, toch eeuwig oud.
Onnoembaar fluistert een stille stem langs het ijle riet der leegte geheimen uit, die slechts door waterspiegels van stilte worden opgevangen en verkleuren in het late herfstblad.
Vloedend baart de zee een firmament van ongrondelijkheid dat zich bij eb terugtrekt langs maagdelijk strand.
Voetstappen van stilte. Water trekt een spoor van vergetelheid. Schuimkoppen van zee verwaaien. Duizend en één zandkorrels in voetstappen van stilte die door water worden weggewist.
Schril breekt een steltloper de zandloper van de tijd in tijdloos getrippel.
Nieuwe contouren worden getekend aan de horizon, terwijl verleden wegdrijft in het zilte wier.
De passer van de tijd spant zijn hemelboog. Zilvermeeuw drijft op het zwerk van een tijdloos nu.
In cirkelgang der seizoenen raakt korenaar de sneeuwkristal, rode herfstbladeren zijn het palet voor gele zomerpracht.
De lotus bloeit steeds in de kiem. Het kind is reeds gestorven. De ouderling rust weer in moederschoot.
Daar sta ik dan, terwijl ik loop. Met lege handen omvat ik de wandelstok van leven.
En ik weet het tijdloze weten van niet-weten: nimmer werd ik geboren, nimmer zal ik sterven. Tussen leven en dood bestaat slechts de ijle scheidslijn van onwetendheid.
Niet ik ben het die denkt. Niet ik ben het die spreekt. Niet ik ben het die doet. Dát zingt zijn tijdloos lied van vreugde. En ik besta niet meer...
Auteur: Marcel Messing (Bron: Prana december 1992/januari 1993)
Pagina bijgewerkt op: 18-05-2006 |